321 Van David, een kunstig lied.

indexPsalmen 42
Nieuwe Bijbelvertaling    

331 Juich, rechtvaardigen, voor de HEER,

de oprechten moeten hem loven.

2 Huldig de HEER bij de klank van de lier,

speel voor hem op de tiensnarige harp.

3 Zing voor hem een nieuw lied,

speel en zing met overgave.

4 Oprecht is het woord van de HEER,

alles wat hij doet is betrouwbaar.

5 Hij heeft recht en gerechtigheid lief,

van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.

6 Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,

door de adem van zijn mond het leger der sterren.

7 Hij verzamelt het zeewater en sluit het in,

hij bergt de oceanen in schatkamers weg.

8 Laat heel de aarde vrezen voor de HEER,

en wie de wereld bewonen hem duchten,

9 want hij sprak en het was er,

hij gebood en daar stond het.

10 De HEER doet de plannen van volken teniet,

hij verijdelt wat naties beramen,

11 maar het plan van de HEER houdt eeuwig stand,

wat hij beraamt, blijft van geslacht tot geslacht.

12 Gelukkig het volk dat de HEER als zijn God heeft,

de natie die hij verkoos als de zijne.

13 Uit de hemel ziet de HEER omlaag

en slaat hij de sterveling gade.

14 Vanaf zijn troon houdt hij het oog

op allen die de aarde bewonen.

15 Hij die de harten van allen vormt,

hij doorziet al hun daden.

16 Koningen winnen niet door een machtig leger,

brute kracht redt krijgsheren niet.

17 Van geen nut zijn paarden voor de overwinning,

hoe sterk ook, ze bieden geen uitkomst.

18 Het oog van de HEER rust op wie hem vrezen

en hopen op zijn trouw:

19 hij zal hen redden in doodsgevaar,

bij hongersnood zal hij hun leven sparen.

20 Wij verwachten vol verlangen de HEER,

hij is onze hulp en ons schild.

21 Ja, om hem is ons hart verblijd,

op zijn heilige naam vertrouwen wij.

22 Schenk ons uw trouw, HEER,

op u is al onze hoop gevestigd.

341 Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg. 

2 De HEER wil ik prijzen, elk uur van de dag,

mijn mond is altijd vol van zijn lof.

3 Laat mijn leven een loflied zijn voor de HEER,

de nederigen zullen het met vreugde horen.

4 Roem met mij de grootheid van de HEER,

sluit u aan om zijn naam te verheffen.

5 Ik zocht de HEER en hij gaf antwoord,

hij heeft mij van alle angst bevrijd.

6 Wie naar hem opzien, stralen van vreugde,

schaamte zal hun gezicht niet kleuren.

7 In mijn verdrukking riep ik tot de HEER,

hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.

8 De engel van de HEER waakt

over wie hem vrezen, en bevrijdt hen.

9 Proef, en geniet de goedheid van de HEER,

gelukkig de mens die bij hem schuilt.

10 Vromen, heb ontzag voor de HEER:

wie hem vreest lijdt geen gebrek.

11 Jonge leeuwen lopen hongerig rond,

wie de HEER zoekt, ontbreekt het aan niets.

12 Kom, kinderen, luister naar mij,

ik leer je ontzag voor de HEER.

13 Hebben jullie het leven lief,

wil je goede jaren genieten?

14 Behoed dan je tong voor het kwaad,

je lippen voor woorden van bedrog.

15 Mijd het kwade, doe wat goed is,

streef naar vrede, jaag die na.

16 Het oog van de HEER rust op de rechtvaardigen,

zijn oor luistert naar hun hulpgeroep.

17 Toornig ziet de HEER wie kwaad doen aan,

hij wist hun namen op aarde uit.

18 De HEER hoort de kreten van de rechtvaardigen,

hij bevrijdt hen uit de nood,

19 gebroken mensen is de HEER nabij,

hij redt wie zwaar wordt getroffen.

20 Al blijft de rechtvaardige niets bespaard,

de HEER zal hem steeds weer bevrijden.

21 Hij waakt zelfs over zijn beenderen,

niet één ervan wordt verbrijzeld.

22 Een slecht mens komt om door eigen kwaad,

wie een rechtvaardige haat zal boeten,

23 de HEER redt het leven van zijn dienaren,

nooit zal boeten wie schuilt bij hem.

351 Van David.

Bestrijd, HEER, wie mij bestrijden,

vecht tegen wie mij bevechten,

2 wapen u, grijp het schild,

sta op om mij te helpen!

3 Zwaai met uw speer en strijdbijl

en werp ze naar mijn achtervolgers.

Zeg tegen mij:

‘Ik ben het die je redt.’

4 Dat beschaamd en vernederd worden

wie mij naar het leven staan,

dat eerloos terugdeinzen

wie mij kwaad willen doen.

5 Laten zij verwaaien als kaf in de wind

wanneer de engel van de HEER hen opjaagt,

6 laat hun weg donker en glad zijn

wanneer de engel van de HEER hen vervolgt.

7 Zonder reden hebben ze een net gespannen,

zonder reden een kuil voor mij gegraven.

8 Laat hen ten onder gaan voor zij het weten,

verstrikt raken in hun eigen netten

en zelf de ondergang tegemoet gaan.

9 Dan zal ik juichen om de HEER,

mij verheugen over de redding die hij brengt.

10 Uit de grond van mijn hart zal ik zeggen:

HEER, wie is aan u gelijk?

U bevrijdt de zwakken van hun onderdrukkers,

de zwakken en de armen van hun uitbuiters.’

11 Valse getuigen staan tegen mij op

en vragen mij naar wat ik niet weet.

12 Ze vergelden goed met kwaad,

ik voel mij van ieder verlaten.

13 Waren zij ziek, ik trok een boetekleed aan,

en bleef mijn gebed onverhoord,

ik pijnigde mij door te vasten.

14 Ik liep rond als waren zij vrienden, broers,

ik ging in het zwart gehuld en liep gebogen

als iemand die rouwt om zijn moeder.

15 Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich,

ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer,

ze hadden me willen verscheuren,

16 die bende godvergeten spotters

met een grijns op hun gezicht.

17 Heer, hoe lang nog blijft u toezien?

Behoed mij voor hun moordlust,

red mijn kostbaar leven van die leeuwen.

18 Dan zal ik u prijzen in de gemeenschap,

u loven waar heel uw volk bijeen is.

19 Gun mijn vijanden, die valsaards, geen leedvermaak,

mijn redeloze haters geen blik van triomf,

20 want het woord vrede kennen zij niet,

en tegen de weerlozen in het land

smeden zij bedrieglijke plannen.

21 Ze roepen spottend,

hun mond wijd open:

‘Zie hém daar!’

22 U hebt het gezien, HEER, zwijg dan niet,

mijn Heer, houd u niet ver van mij.

23 Verhef u, ontwaak, mijn God en mijn Heer,

verdedig mij, vecht voor mijn zaak.

24 Doe mij recht, HEER, mijn God,

u bent rechtvaardig,

sta niet toe dat ze zich om mij vermaken,

25 laat hen niet kunnen denken:

‘Dit is wat we wilden.’

Laat hen niet kunnen zeggen:

‘We hebben hem verslonden.’

26 Dat beschaamd staan en vernederd

wie zich verheugen op mijn ondergang.

Dat met schaamte en schande bedekt worden

wie zich boven mij verheffen.

27 Dat van vreugde juichen

wie willen dat mij recht wordt gedaan.

Laat hen gedurig mogen zeggen:

‘Groot is de HEER,

vrede wil hij voor zijn dienaar.’

28 Van uw gerechtigheid zal mijn tong spreken,

van uw roem wil ik zingen, dag aan dag.

Advertenties

Wij zouden het zeer waarderen indien U hier beneden een reactie zou willen plaatsen. Bedankt

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s